Koolhydraten

Koolhydraten verschaffen energie voor lichaamsfuncties en -activiteiten door onmiddellijk calorieën af te geven. Dit proces vindt plaats door het omzetten van de koolhydraten in glucose, de belangrijkste suiker in het bloed en de basisbrandstof van het lichaam. Koolhydraten worden in de lever en in de spieren opgeslagen als glucogeen. Het lichaam zet in de lever het glucogeen om in glucose om het, indien de energie nodig is, af te geven aan het bloed.

Er zijn twee typen koolhydraten, enkelvoudige en complexe koolhydraten. Enkelvoudige koolhydraten zijn de suikers, glucose, fructose (beide uit fruit en groente), lactose (uit melk) en sucrose (uit suikerriet of suikerbieten). Complexe koolhydraten bestaan voornamelijk uit zetmeel of uit vezels die in alle plantaardige voedingsmiddelen voorkomen. Complexe koolhydraten zijn beter voor ons dan de enkelvoudige koolhydraten omdat de complexe koolhydraten een grotere voedingswaarde hebben (ze bevatten meestal proteïnen, vitaminen, enzovoort).

Een dieet dat bestaat uit veel koolhydraten en weinig vetten kunnen het risico voor vijf van de tien voornaamste doodsoorzaken verminderen: hart- en vaatziekten, beroerte, diabetes, verscheidene vormen van kanker en atherosclerose. 55 tot 60 procent van de dagelijkse calorieën moeten uit koolhydraten komen, met niet meer dan 15 procent van de totale calorieën uit enkelvoudige koolhydraten. Voedingsmiddelen die koolhydraten bevatten zijn onder andere: granen, peulvruchten, noten, aardappelen en fruit.